ISDE: Stand van zaken budget

verduurzamen woningen corporaties

De rijksoverheid heeft de voorlopige cijfers en budgetten betreft de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) bekendgemaakt.

Het subsidiebudget voor 2021 bedraagt € 124 miljoen voor investeringen in warmtepompen, zonneboilers, isolatie en warmtenetten. Dit budget is bestemd voor particulieren en zakelijke gebruikers. Voor zakelijke gebruikers geldt dat zij niet in aanmerking komen voor investeringen die betrekking op isolatie en warmtenetten.

De hoogte van het subsidiebedrag per apparaat of maatregel hangt af van het soort zonneboiler, warmtepomp en isolatie en de energieprestatie daarvan. De indicatieve bedragen staan op de apparatenlijsten. Voor de aansluiting op een warmtenet geldt een vast bedrag van € 3.325.

Het subsidiebudget voor investeringen in windturbines en zonnepanelen bedraagt voor 2021 € 40 miljoen. Dit budget is bestemd voor zakelijke gebruikers. De hoogte van het subsidiebedrag hangt af bij de categorie windturbines af van de rotoroppervlakte en bij de categorie zonnepanelen van het vermogen.

Cijfers per gemeente en provincie

Wilt u weten hoeveel Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) in uw provincie of gemeente is verleend? En voor welke apparaten? U ziet het in een oogopslag in de ISDE Viewer van Nederland. De gegevens vanaf 1 januari 2016 (de start van de regeling) tot en met 31 december 2020 zijn in deze viewer verwerkt. Per 1 januari 2021 is de ISDE-regeling samen met de Subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH) opgegaan in de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (afgekort ook ISDE).

Ook subsidie aanvragen?

CBRE Dutch Office Fund eerste fonds in Europa met WELL-portfolio score

Het International Well Building Institute (IWBI) heeft CBRE Global Investors ‘Dutch Office Fund een portefeuillebrede Well-score toegekend voor de implementatie van gezondheids- en welzijnsstrategieën.

Het is het eerste vastgoedbeleggingsfonds in Europa dat een score behaalde voor de gehele portefeuille met een Well portfolio-score van 43.

Drie van de objecten uit het fonds, NoMA House Amsterdam, WTC Utrecht en Delftse Poort in Rotterdam kregen individueel de Well Core-certificering op Gold-niveau, de op een na hoogst mogelijke score.

Well Portfolio Score en Well Core Certification worden toegekend door de IWBI, die de Well Building Standard ontwikkelt en beheert.  Via deze externe certificeringsinstantie, worden kantoorportefeuilles en kantoorpanden beoordeelt op het gebied van gezondheid en welzijn.

 

Beoordeeld onder 10 Well-concepten

Alle objecten in de portefeuille van Dutch Office Fund zijn beoordeeld op basis van 10 Well-concepten: lucht, water, voeding, licht, beweging, thermisch comfort, geluid, materialen, mind en gemeenschap.

“Onze ambitie is om toekomstbestendige kantoorgebouwen te creëren en te exploiteren waar de bedrijven van nu en bedrijven in de toekomst optimaal kunnen ondernemen”, aldus Ronald van der Waals, fondsmanager van het CBRE Dutch Office Fund.

Hij voegt eraan toe dat het fonds zal blijven streven naar Well Core Certification voor de andere gebouwen in de portefeuille: WTC Amsterdam, WTC Schiphol, kantoorgebouw UP en Nieuw Amsterdam.

Tegen het einde van het jaar zal ongeveer 90% van de objecten in de portefeuille gecertificeerd zijn. Het is de ambitie van het fonds om alle multi-tenant panden in de portefeuille te certificeren.

Vesteda en BAM Wonen verduurzamen 80 appartementen in Hilversum

Woningbelegger Vesteda en BAM Wonen verduurzamen tachtig huurappartementen aan de Kapittelweg in Hilversum. Het project betreft een hoge galerijflat met veertien woonlagen en een lage galerijflat met drie woonlagen. Beide flats dateren uit eind jaren zestig en de verduurzaming brengt de appartementen van energielabel F naar een energiezuiniger label A of B. Gelijktijdig met de energetische upgrade verricht BAM Wonen onderhoudswerkzaamheden die het wooncomfort vergroten. In juni 2021 start BAM Wonen met de werkzaamheden en de oplevering staat gepland voor eind 2021.

‘In Hilversum continueren we onze prettige ketensamenwerking met Vesteda. We verduurzamen de woningportefeuille tot comfortabele en betaalbare woningen. Kenmerkend voor onze Vesteda-projecten is de hoge mate waarin we natuurinclusief renoveren. In Hilversum onderzoeken we of we extra permanente nestkasten plaatsen voor versterking van de bestaande flora en fauna’, aldus Jasper Blanken, directeur Renovatie Concepten bij BAM Wonen.

Veel bewoners stemmen in

De benodigde bewonersinstemming is in korte tijd behaald. De woningverbetering levert de bewoners een comfortabelere woning en een lagere energierekening op. De energetische maatregelen hiervoor bestaan uit het vervangen van de collectieve dakventilatoren inclusief ventilatiekanalen en het beter isoleren van gevels, dak en bergingsplafonds. Op het dak plaatst BAM Wonen pv-panelen.

Tot de onderhoudswerkzaamheden behoren onder meer het herstellen van voegwerk, reinigen van kopgevels, hekwerken en boeiborden en het saneren van asbest. In dit project vernieuwt BAM Wonen ook de riolering, waterleidingen en toiletten. Tot slot ontvangen bewoners een videofooninstallatie voor een vergroot veiligheidsgevoel.

 

Natuurinclusief renoveren

In het verlengde van de samenwerkingsovereenkomst tussen Vesteda en Vogelbescherming Nederland heeft BAM Wonen tijdig mitigerende maatregelen getroffen. Bij naastgelegen gebouwen heeft BAM Wonen voorafgaand aan de wettelijke flora- en faunascan, vijftig tijdelijke nestkasten opgehangen voor onder meer gierzwaluwen en vleermuizen. In opdracht van Vesteda onderzoekt BAM ook de mogelijkheid om permanente vogelvoorzieningen in de kopgevels te plaatsen.

Verduurzaming bestaande woningvoorraad door BAM Wonen

BAM Wonen heeft dit jaar tot dusver de renovatie en verduurzaming ruim 2.000 woningen in voorbereiding, in uitvoering of gerealiseerd. BAM is daarnaast koploper in het realiseren van de nul-op-de-meter (NOM)-woning met meer dan 1.800 NOM-woningen in voorbereiding, in uitvoering of gerealiseerd. BAM heeft hiervoor als eerste bouwer in Nederland uit handen van Kajsa Ollongren, Minister van Binnenlandse Zaken, het volledige NOM-keur ontvangen. Hiermee zijn de kwaliteit en beloofde prestaties van de NOM-woningen officieel gegarandeerd.

Gestructureerd verduurzamen: met Condor een fluitje van een cent

Condor biedt een integrale werkomgeving waarin vastgoedbeheerders en verantwoordelijken voor beheer en onderhoud kunnen samenwerken. Zo kan een MJOP eenvoudig worden opgesteld en kan de uitvoerder realtime meldingen ontvangen en de onderhoudsstatus wijzigen. Dit heeft als voordeel dat Condor-gebruikers altijd inzicht hebben in de conditie van hun vastgoed en het beheren van contracten met leveranciers en onderhoudspartijen vereenvoudigd wordt. Bovendien is er continu zicht op de mate waarin men voldoet aan wet- en regelgeving en geeft Condor een realistisch beeld van de voortgang en status van verduurzaming van vastgoed. We gingen in gesprek met Maarten Vlasveld, Commercieel Manager bij Condor.

Welke invalshoek je ook kiest: inzicht, planning en verantwoording zijn onmisbaar in het gestructureerd laten verlopen van een verduurzamingstraject. En laat dat nou precies zijn waar Condor meerwaarde biedt

‘Het thema duurzaamheid gaat in de vastgoedwereld dagelijks over de tong en er zijn talloze invalshoeken. Ik noem de Erkende Maatregelenlijsten Energiebesparing, maar ook de ambities in het realiseren van gasloze gebouwen, circulariteit en CO2-neutraliteit. Welke invalshoek je ook kiest: inzicht, planning en verantwoording zijn onmisbaar in het gestructureerd laten verlopen van een verduurzamingstraject. En laat dat nou precies zijn waar Condor meerwaarde biedt.’

Stap 1: inzicht

‘Inzicht is noodzakelijk om vast te kunnen stellen welk verbeterpotentieel aanwezig is, maar ook om in een later stadium te kunnen meten wat het resultaat van de maatregelen is. Start bij het inzichtelijk maken van wat er is. In Condor noemen we dit een gebouwenpaspoort. Welke materialen zijn toegepast en in welke omvang? Wordt er gas gebruikt in een gebouw en, zo ja, hoeveel? En wat is het energielabel van gebouwgebonden installaties? Functioneren ze optimaal? Wat is er bekend over de bezetting van het gebouw en terrein? De eerste belangrijke stap in het gestructureerd verduurzamen, is het creëren van inzicht in de impact van assets op de omgeving.’

Stap 2: plannen

‘Zodra je inzicht hebt in de prestatie van een asset, wordt het mogelijk om hierin trends te ontdekken. Denk aan het energieverbruik over een bepaalde periode, een vergelijk van het energieverbruik van soortgelijke gebouwen of het gebruik van bepaalde materialen. Dit inzicht is noodzakelijk om te kunnen bepalen welke maatregelen je moet nemen om
te voldoen aan wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld aan de verplichting om te voldoen aan (minimaal) energielabel C per 1 januari 2023, of aan de ‘Erkende Maatregelenlijsten Energiebesparing’ waarin is vastgelegd dat organisaties die een terugverdienperiode van maximaal vijf jaar tegemoetzien, deze maatregelen moeten doorvoeren. Door kosten voor deze maatregelen langs dezelfde lat te leggen, wordt het in een later stadium mogelijk om de effecten inzichtelijk te maken en deze kosten te verantwoorden.’ Optimalisatie is mogelijk door de informatie te bundelen in een MJOP of een DMJOP. Voor installaties kan worden gekeken naar logische vervangmomenten, bijvoorbeeld bij het naderen van het einde van de levensduur.

Stap 3: verantwoorden en terugkoppelen

‘Met het verworven inzicht en de gerealiseerde maatregelen kun je de effecten van de maatregelen monitoren. Zo is het mogelijk verantwoording af te leggen over de effectiviteit van investeringen en aan te kunnen tonen in hoeverre de verduurzamingsdoelstellingen worden behaald. De laatste stap in het continu verbeteren, is het bijsturen van het beheer en onderhoud. Denk hierbij ook aan het herijken van doelstellingen. Direct van het gas af is voor negen van de tien beheerders geen optie, maar dat kan wel een relevante doelstelling zijn op de langere termijn.’

 

 

Deze woonwijk biedt een kijkje in de toekomst van duurzaam bouwen en wonen

Muren van kalk en hennep, cementloos beton en energieopslag via een basaltbatterij: Ecodorp Boekel biedt een kijkje in de toekomst van het bouwen. Maar deze innovaties hebben een keerzijde, want ze zijn moeilijk te financieren. Een samenwerking met verzekeraar Achmea biedt via Centraal Beheer uitkomst aan de verzekeringskant. “Achmea wil niet alleen goed doen voor de klanten en het bedrijf, maar ook wat goed is voor de maatschappij.”

Het was in 2003 dat Ad Vlems met zijn vrouw besloot dat hij duurzamer wilde wonen. Hij betrok andere enthousiastelingen bij de plannen met als uiteindelijk resultaat het Ecodorp Boekel. De burgemeester van die gemeente wilde ruimte bieden aan de innovatieve woonwijk, en inmiddels wonen de eerste mensen in het dorp.

Als initiatiefnemer is Vlems daar uiteraard één van. Hij ervoer al hoe goed de 50-centimeter-dikke kalkhennep muren warmte vasthouden. Zijn huis staat op het zuiden en daar werd het op een zonnige winterse dag 26 graden met de gordijnen dicht, terwijl het vroor. “We moeten de woningen dus nog wel wat tweaken”, aldus Vlems. Het plan is om luiken toe te voegen. Op die manier wil hij voorkomen dat het in de zomer nog veel heter wordt in de woning. En de luiken beschermen tegen stormen.

Experimenteren en innoveren zijn onlosmakelijk verbonden met het ecodorp. Mensen die hier willen wonen moeten daarom ook vooraf een contract tekenen dat zij akkoord gaan met tests van innovaties. Niet verwonderlijk dus, dat Vlems in een video-call een half uur aan één stuk door kan praten over de bijzonderheden van het dorp.

Innovaties in een duurzame woonwijk

Ecodorp Boekel is bijvoorbeeld niet aangesloten op het riool. In plaats daarvan zuiveren bewoners het afvalwater in de wijk zelf. “Bij extreme droogte gaat er bij ons elke dag nog steeds 9.000 liter water de bodem in. In elke andere wijk gaat het grondwater omlaag, bij ons blijft het gelijk.” Dat komt doordat zij het water niet via het riool wegspoelen, maar letterlijk op locatie zuiveren met behulp van een helofytenfilter. Dat is een filter dat met behulp van planten afvalwater zuivert tot een kwaliteit die onschadelijk is voor het milieu. Daarnaast vangen de bewoners zoveel mogelijk regenwater op, wat ze gebruiken voor wasmachines en het doorspoelen van de toiletten. Naast wateropslag doen ze aan energieopslag. Daarvoor gebruiken ze de innovatie van Cees van Nimwegen: hij ontwikkelde een batterij waarbij warmte wordt opgeslagen in basalt-gesteente.

Bekijk in deze infographic hoe die basaltbatterij werkt.

 

Circulaire economie

Het ecodorp innoveert ook met een circulaire elektriciteitskabel van kabelwereldleider Prysmian. Huidige stroomkabels kunnen na hun levensduur alleen nog verbrand worden om het metaal eruit te halen. De kabel die Prysmian ontwierp kan daarentegen makkelijk gestript worden, waardoor alles klaar is voor hergebruik. De kabel bestaat bijvoorbeeld uit één soort PVC-afvalplastic in plaats van meerdere soorten plastic. Dat maakt het veel makkelijker om het materiaal her te gebruiken.

Omdat de kabel innovatief is, is hij nog niet helemaal gekeurd en gecertificeerd. Kortom, hij voldoet niet aan alle richtlijnen. Voor het kabelbedrijf biedt de samenwerking met Ecodorp Boekel uitkomst, want vanwege het innovatieve karakter van het dorp mag de kabel daar wel gebruikt worden.

Het is niet de enige plek waar circulariteit in het dorp terugkomt; ook bij de bouwmaterialen is erop gelet. Zo maken de huizen gebruik van cementloos beton. Dat beton bestaat uit zand en grind dat eerder als asfalt werd gebruikt, en wordt gebonden met afval uit hoogovens. Daarnaast staan de huizen op glasschuim, een restproduct van glasrecycling.

Tot slot is er aan de natuur gedacht. Zo is er in overleg met vleermuiswerkgroep Brabant, de vlinderbescherming en Nederland Zoemt bepaald welke vleermuis-, vlinder- en bijensoorten extra bescherming nodig hebben en goed gedijen in een woonwijk. In een biodiversiteitsplan staat opgeschreven op welke tien diersoorten het ecodorp extra gaat letten. “Provincie Brabant was zo enthousiast over ons biodiversiteitsplan dat we, als het klaar is, worden aangesloten bij het natuurgebied naast ons. Dan worden wij onderdeel van het natuurnetwerk van Nederland. Dat is natuurlijk uniek: als een woonwijk ineens een natuurgebied wordt.”

‘Elke innovatie is een risico’

Met al die innovaties bleek financiering lastig. Zo herinnert Vlems zich een reactie die hij kreeg toen hij op uitnodiging van een aantal banken en fondsen zijn plannen presenteerde. “Elke innovatie is een hoger risico, want we kunnen niet berekenen wat de gevolgen zijn van die innovatie”, vertelde één van de bankmedewerkers hem. Dat betekende dat Ecodorp Boekel hoge hypotheekrentes zou moeten betalen. Maar dat was onmogelijk, legt Vlems uit. “We bouwen sociale huurwoningen, dus wij kunnen ons geen hoge rente veroorloven.” Uiteindelijk bood een Duitse bank met ervaring op het gebied van woongemeenschappen uitkomst door financiering aan te bieden.

Michiel Delfos, directeur Schade en Inkomen bij Achmea, herkent de ervaring van Vlems. “Wij merken ook dat het verzekeren van innovaties, net als het geven van kredieten voor innovaties, moeilijk is. Juist omdat het nieuw is. Daardoor weet je niet welke risico’s daaraan vastzitten.”

Ondanks deze onbekendheid besloot Achmea wel te verzekeren. Alle machines, leidingen en woningen zijn door Achmea verzekerd. “Je kunt er angstig inzitten en het daarom niet doen, maar je kunt er ook voor kiezen om een pilot aan te gaan, omdat het bijdraagt aan duurzaamheid. Daar hebben wij voor gekozen en we denken dat we er uiteindelijk ook heel erg van leren en daardoor een stapje voorlopen in de nieuwe wereld.”

 

Het effect van een mandarijnenschil

Achmea levert niet alleen verzekeringen, maar experimenteert ook mee. Zo doet Zilveren Kruis een proef met instrumenten die de luchtkwaliteit in de woningen meten en waar een alarmbel afgaat als er schadelijke stoffen in de lucht zitten. “Op een gegeven moment ging dat apparaat af. Wat bleek? Een kindje was een mandarijn aan het pellen. In de schil zitten gifstoffen en dat merkte het apparaat op”, vertelt Delfos.

Daarnaast denken de experts van de verzekeraar mee over de veiligheid van verschillende innovaties. Bijvoorbeeld over de basaltbatterij. Misschien moet er bij wijze van spreken wel een slotgracht omheen als brandbeveiliging. Alles is nu nog denkbaar.

Het voordeel van vroeg instappen

“Als je in een vroeg stadium aanhaakt en meedenkt, dan leer je ook de risico’s kennen”, verklaart Delfos deze stap van de verzekeraar. “Dat is ook nuttig als Achmea in de toekomst vaker dit soort initiatieven wil verzekeren.” Ook kan deze ervaring direct leiden tot nieuwe producten of diensten. Een bestaand voorbeeld daarvan zijn de groene daken van Interpolis. De groene dakbedekking zorgt voor minder waterschade, is goed voor de biodiversiteit en het dak eronder gaat ook nog eens langer mee. De ondernemers die de sedum-daken leggen, kan Achmea weer verzekeren. “We kijken of we met Ecodorp Boekel ook kunnen experimenteren met dienstverlening die we later groot kunnen uitrollen.”

Instappen bij een project als Ecodorp Boekel sluit aan bij de rol die Achmea voor zichzelf ziet als coöperatief bedrijf, benadrukt Delfos. “Wij staan midden in de samenleving. Dat betekent dat we tegen onszelf hebben gezegd dat we niet alleen goed moeten zorgen voor de klanten en het bedrijf,maar ook voor de maatschappij.”

Het is zijn persoonlijke overtuiging dat een bedrijf dat niet midden in de maatschappij staat uiteindelijk niet succesvol kan zijn. “Daarom moet je ook de strategie niet vanuit jezelf bedenken, maar vanuit jouw positie in de samenleving.” De verzekeraar heeft drie duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties gekozen waar het extra aandacht aan besteedt en die intrinsiek aansluiten bij de rol van een verzekeraar: gezondheid, veiligheid en klimaat. Deze thema’s komen terug bij het ecodorp, maar ook bij andere projecten.

“De kracht van Ecodorp Boekel is de kleinschaligheid, het experimenteren en het innoveren. Ik denk dat het onze kracht is om ontwikkelingen groter en bekender te maken; we hebben 10 miljoen klanten en daarmee een groot bereik. Ik weet nog niet precies hoe of wat, maar ik weet wel dat er ongetwijfeld mooie en nieuwe samenwerkingen uitkomen.”

Gebruik van aardwarmte neemt toe

In Nederland wordt steeds meer gebruik gemaakt van aardwarmte als energiebron. Brancheorganisatie Geothermie Nederland becijfert dat de warmteproductie op deze wijze, die te boek staat als duurzaam, in 2020 met 10 procent is gestegen. In totaal werd voor 6,2 petajoule aan aardwarmte gewonnen en daarmee is 176 miljoen kubieke meter aardgas bespaard.

“Dit staat gelijk aan het gebruik aan aardgas van 117.500 woningen en een reductie van CO2-emissie van 333.000 ton”, aldus de brancheorganisatie. Voor dit jaar wordt verdere groei voorzien. Zo’n 40 grote projecten staan al gepland en er is volgens Geothermie Nederland veel belangstelling voor aardwarmte als energiebron voor de verwarming van woningen en bedrijven in de industrie.

Voor verdere groei zou de overheid moeten bijspringen, vindt de branche. “Belangrijk hierbij is dat het beleid daarvoor beter aansluit met passende stimuleringsmogelijkheden, een effectief vergunningenstelsel én dat warmtenetten beschikbaar komen.”

 

Bij geothermie worden twee diepe putten in de grond geboord. Uit de ene put wordt water dat door het binnenste van de aarde is opgewarmd omhoog gepompt, door de andere wordt afgekoeld water weer teruggepompt. De glastuinbouw is tot nog toe de sector die het meeste gebruik maakt van de techniek.

Aan geothermie kunnen ook risico’s kleven, bijvoorbeeld op verontreiniging van de bodem als zout water uit het systeem weglekt. Het Staatstoezicht op de Mijnen adviseert ook ‘terughoudend’ te zijn met geothermie op plaatsen die aardbevingsgevoelig zijn, bijvoorbeeld gaswinningsgebieden.

Bron: ANP

DGBC en TVVL lanceren gezamenlijke benchmarktool voor CO₂-reductie

Op WEii.nl is het nu mogelijk gebouwen eenvoudig en snel te beoordelen op het werkelijke energiegebruik. WEii staat voor Werkelijke Energie intensiteit indicator en maakt op een uniforme wijze inzichtelijk wat een gebouw per vierkante meter per jaar aan energie gebruikt. Gebouweigenaren en -gebruikers krijgen daardoor direct inzicht in de werkelijke energieprestaties van hun pand in relatie tot gelijkwaardige panden in hun sector, in plaats van een theoretisch inzicht. Daarnaast ontstaat direct een beeld van hoe ver ze verwijderd zijn van de Parijse klimaatdoelstellingen of zelfs een energieneutraal gebouw.

De basis van de nieuwe tool vormt een breed gedragen, uniforme rekenmethode. WEii is een betrouwbare indicator voor de energie-efficiënte van een gebouw, omdat WEii op een gestandaardiseerde, objectieve wijze wordt vastgesteld. Een gebouw wordt beoordeeld op wat er op de energiemeter staat en niet wat het in theorie aan energie zou kunnen gebruiken. Daarmee levert WEii een grote bijdrage aan het behalen van de klimaatdoelen van Parijs. Door het werkelijke energiegebruik inzichtelijk te maken, is het beter mogelijk om daarop te besparen. Energiebesparende maatregelen zijn dan ook direct terug te zien in de WEii van een gebouw, het werkelijke gebruik loopt terug en dat is terug te zien op de energiemeter.

Klimaatakkoord

De ambitie van het Klimaatakkoord is een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 95% ten opzichte van 1990. Voor utiliteitsgebouwen wordt voor het realiseren van deze doelstelling vooral ingezet op het vaststellen van een wettelijke eindnorm voor de energetische kwaliteit van gebouwen in 2050. Daarom moet bijvoorbeeld nieuwbouw voldoen aan de BENG-norm, die is vastgesteld aan de hand van de methode NTA 8800. In de praktijk blijkt er echter een mismatch te zijn tussen het werkelijke energiegebruik van gebouwen en het energiegebruik dat verwacht wordt op basis van een theoretische berekening. WEii is dan ook, in tegenstelling tot BENG, ontwikkeld om wel inzicht te geven op de werkelijke energie-intensiteit van gebouwen.

Voor en door de markt

WEii is een initiatief van DGBC en TVVL. Beide organisaties zijn overtuigd van het belang van meten op werkelijk energiegebruik. En ze werken dan ook al volgens dat principe: DGBC introduceerde in 2017 de Paris Proof-aanpak en TVVL is de initiator van WENG (Werkelijk EnergieNeutraal Gebouw). Die twee doelstellingen voor gebouwen zijn nu verwerkt tot scores op de WEii-ladder, die loopt van heel onzuinig via Paris Proof tot WENG.

WEii is ontwikkeld voor en door de markt. Diverse overheidsinstanties en gezaghebbende marktpartijen hebben de afgelopen jaren in allerlei vormen meegewerkt aan de ontwikkeling van de rekenmethode, van TNO tot E-Nolis en van DWA tot het Rijksvastgoedbedrijf. Daarnaast is er voor de methode al interesse onder handhavers. Bijvoorbeeld omgevingsdiensten kunnen WEii gebruiken om de energieprestaties van gebouwen snel en correct in beeld te brengen en daarop te handhaven.

 

Eenvoudig en laagdrempelig

Martin Mooij is als programmamanager namens DGBC bij de ontwikkeling van WEii betrokken. Hij ziet grote kansen als het gaat om de toepasbaarheid van de tool. “Het is echt eenvoudig, je hoeft geen techneut te zijn om dit in te vullen.” Dat is volgens hem van groot belang, omdat de energietransitie ‘voor iedereen begrijpelijk moet zijn’. Daarom blijft hij ook hameren op het meten op het werkelijke energiegebruik: “Het is toch niet meer uit te leggen dat een gebouw een goed energielabel heeft, maar toch te veel energie gebruikt. Het theoretische en gebruik in de praktijk is met WEii direct terug te brengen tot één eenheid: het werkelijke energiegebruik.”

Veel kennis

John Lens, directeur van TVVL, is het eens met de woorden van Martin Mooij. “Al een aantal jaar is werkelijk energiegebruik een thema bij TVVL. Daarom hebben we al veel sessies, presentaties en discussies georganiseerd rondom dit thema waar zowel leden als niet-leden bij betrokken zijn geweest. Deze betrokken mensen leverden veel kennis waarmee het protocol is ontwikkeld. Die aanscherping, samen met inzichten van DGBC, maakt dat WEii voor iedereen toepasbaar is. Voor omgevingsdiensten, voor gebouwbeheerders, voor gebruikers, voor monitoringsbedrijven et cetera. Als je gaat rekenen voor nieuwbouw gebruik je BENG. Wanneer het gebouw al in gebruik is, toon je de BENG-doelen aan met WEii.”

Energie besparen met artificiële intelligentie

Als we naar de wereld om ons heen kijken, zien we steeds meer artificiële intelligentie (AI) in ons dagelijks leven. Sommigen vinden dat fantastisch, maar anderen kunnen er doodsbang van worden.

Artificiële intelligentie: nemen robots de wereld over?

Als mensen aan AI denken, komen er vaak als eerste rampzalige beelden bij hen op van zelfbewuste robots die de mensheid willen vernietigen en de wereld willen overnemen, net zoals in veel populaire films. Maar niets is minder waar.

Artificiële intelligentie is ontworpen om de menselijke manier van denken na te bootsen. AI‑software heeft dus het vermogen om zelfstandig te denken en te handelen. In de gebouwautomatisering betekent dit dat AI flink kan bijdragen aan het verbeteren van onderhoud, comfort en energiebesparing. Voor nu richten we ons op de vraag hoe AI kan helpen het energieverbruik van een gebouw terug te dringen.

Artificiële intelligentie, de redding voor de aarde

Groene energiebronnen op de aarde zijn een schaars goed. Daarom is het essentieel dat we energie op een slimme manier gebruiken en opslaan. Artificiële intelligentie is geknipt voor die taak. De technologie is zelflerend en werkt zelfstandig, zonder tussenkomst van mensen. Door integratie van AI in het gebouwbeheer kunt u uw gebouw ‘leren’ om zelf uit te zoeken wat de beste duurzame energiebronnen zijn om te gebruiken, op te slaan en op te wekken.

Het gebruik van AI in gebouwen is als het rijden in een zelfrijdende auto. U kiest uw bestemming. Vervolgens brengt de auto u daar zo snel en veilig mogelijk heen. Zo gaat dat ook met uw gebouw. U voert uw voorkeuren in het systeem in en het gebouw zoekt uit wat de beste duurzame energiebronnen zijn om te gebruiken.

 

Een perfect voorbeeld – Priva ECO

Priva ECO is een perfect voorbeeld van het gebruik van AI om het energieverbruik te verminderen. De software optimaliseert het comfortniveau in het gebouw en verlaagt tegelijkertijd het energieverbruik. Priva ECO is een volledig nieuwe softwaretool, als aanvulling op bestaande gebouwautomatiseringssystemen. Het is een cloudgebaseerde service die kan worden geïmplementeerd ongeacht uw leverancier.

Na de configuratie kijkt de intelligente software 24 uur vooruit, waarbij scenario’s worden berekend op basis van combinaties van gebeurtenissen die het waarschijnlijkst zijn. Zo leert de software over het gedrag van het gebouw en over de invloed van factoren zoals het veranderende aanbod van duurzame energiebronnen. En over weersomstandigheden, zoals buitenluchttemperatuur, zon en wind. Met deze informatie maakt de software vervolgens op een slimmere manier gebruik van klimaatinstallaties en beschikbare energiebronnen van het gebouw. Er worden hernieuwbare en duurzame energiebronnen gebruikt voordat andere bronnen worden geactiveerd. Dat kan een besparing op de energierekening opleveren van wel 25 procent. De software bestuurt de installaties zo dat het optimale klimaat wordt bewerkstelligd met zo min mogelijk energie. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de energieprijzen. Dat klinkt mooi, toch?

AI gaat dus niet de wereld overnemen en er is absoluut geen sprake van kwaadaardige robots. Integendeel, met zelflerende software kunt u energie besparen zonder er zelf actief mee bezig te zijn. We kunnen dus stellen dat u gewoon vanuit uw luie stoel een steentje kunt bijdragen aan het redden van de aarde. Bezoek de Priva ECO website De waarheid is dat technologie noch goed noch slecht is. Het hangt allemaal af van hoe je het gebruikt en waarvoor. AI kan een belangrijke rol spelen bij het optimaliseren van energiebesparingen. Voordat we daarop ingaan, bespreken we eerst wat AI precies is.

Dit is een blog van Priva

 

‘Woning van het gas halen kost gemiddeld 40.000 euro’

Het kost gemiddeld 40.000 euro per woning om een huis van het gas te halen. Dat heeft het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) becijferd, meldt Nieuwsuur. Meer dan de helft van die investering is volgens het EIB niet terug te verdienen met besparingen op de energierekening en is dus onrendabel.

Het EIB acht het daarnaast onwaarschijnlijk dat de kosten de komende jaren zullen dalen. “De lessen uit de proeftuinwijken zijn belangrijk en hard nodig om te voorkomen dat deze kosten nog verder zullen stijgen”, waarschuwt directeur Taco van Hoek.

Tot nu toe werd door minister Kajsa Ollongren van Binnenlandse Zaken juist verwacht dat er een kostenreductie zou ontstaan door de zogenoemde wijkaanpak. Het ministerie veronderstelt namelijk dat met de proeftuinen een ‘vliegwieleffect’ ontstaat, waardoor met de jaren het tempo toeneemt dat Nederlandse woningen aardgasvrij worden.

Het doel van het ministerie was om 30.000 tot 50.000 gebouwen in 2021 van het gas af te halen. Tot nu toe zijn er iets meer dan 200 woningen van het gas gehaald, becijferde de Volkskrant onlangs. Inmiddels ontkent het ministerie dat er een kwantitatief doel is voor de proeftuinen.

Te vroeg

In een reactie stelt het ministerie van Binnenlandse Zaken dat het nog te vroeg is om nu al kostenreductie te verwachten. “De uitvoering van het Klimaatakkoord is nog maar net gestart. Mochten signalen komen dat de verwachte en beoogde kostenreductie niet wordt gehaald, dan zullen de partijen in het Klimaatakkoord onderzoeken welke aanvullende inzet nodig is. Kostenreductie richting 2030 is onmisbaar om de doelen te halen en de verduurzaming voor steeds meer situaties betaalbaar te maken.”

Volgens het ministerie is er wel degelijk al een vliegwieleffect te zien van de proeftuinen. “Er is namelijk grote belangstelling van gemeenten om deel te nemen aan proeven met aardgasvrije wijken.”

Bron: ANP