Slimme en veilige gebouwen, gaat dat samen?

Welke rol speelt veiligheid in slimme gebouwen? Is een met sensoren gevuld gebouw dat de verkregen data vervolgens gebruikt voor de aansturing van het pand eigenlijk wel slim als de valbeveiliging niet op orde is? We praten erover met Martin Verkamman, Fall Protection Expert bij 3M.

‘Natuurlijk denken de meeste gebouwbeheerders bij een slim gebouw vooral aan het verkrijgen van data en hoe je deze data inzet om het gebouw te optimaliseren op gebied van comfort, energie en kosten. Maar een gebouw wordt pas écht slim als het ook veilig is en wanneer deze veiligheidsmaatregelen worden genomen zonder hiermee de isolatiewaarde van het dak negatief te beïnvloeden.’

Dakbeveiliging en isolatiewaarde

Veel gebouweigenaren staan niet stil bij de invloed die dakbeveiliging heeft op onder meer de isolatiewaarde van het dak. Verreweg de meeste installateurs snijden het dak open om de beveiligingsmaatregelen direct aan de constructie te bevestigen wat resulteert in een ongewenste warmte-koudebrug. En ook valbeveiliging óp de dakbedekking vraagt om het boren van gaten in de isolatie en dampremmende laag. ‘Zorg dat je dit vooraf bespreekbaar maakt met de partij waar je mee samenwerkt. Het kan niet de bedoeling zijn dat de Rc-waarde van een dak door dit soort maatregelen afneemt. Wij hebben daar in ieder geval een goede oplossing voor bedacht.’ In het slimme systeem van 3M wordt gebruik gemaakt van een plastic buis die door een klein gat in het dak wordt geleid. Deze buis wordt gevuld met isolatie wat de warmte-koudebrug met 66% terugdringt. Een tweede voordeel van dit systeem ten opzichte van alternatieven is de hergebruikmogelijkheid van de bodemplaat. Een gebruikt anker moet in alle gevallen worden vervangen, maar de bodemplaat van 3M is dus opnieuw te gebruiken. Dat betekent enerzijds dat het niet nodig is om opnieuw een gat in het dak en de isolatie aan te brengen wat positief is voor het behoud van de Rc-waarde. Anderzijds betekent dit dat het ontwerp van de valbeveiliging intact kan blijven.

Met z’n allen

‘Voor mij is een slim gebouw een gebouw dat in al zijn facetten intrinsiek veilig is. Om dat te realiseren, moeten we met z’n allen nog veel stappen maken. Ik zeg bewust met zijn allen, want het begint bij de architect en eindigt bij partijen die op het dak actief zijn. Het spreekt voor zich dat een architect focust op de esthetische kant van zijn of haar ontwerp. Daarom is het belangrijk dat degene die het ontwerp realiseert, meedenkt over de haalbaarheid, ook in de gebruiksfase. Een glazen pui die vervolgens op geen enkele manier veilig te reinigen is, kan nooit de bedoeling zijn. En toch komen we dit soort zaken regelmatig tegen. Net als de installatie van een pvsysteem bovenop onze valbeveiligingsmaatregelen. Dit zijn spanningsvelden die we met elkaar op kunnen lossen door samen te werken. Krijg je de opdracht pv-panelen te plaatsen? Neem dan even contact op met de installateur die verantwoordelijk is voor de valbeveiliging. De ervaring leert dat het helpt als ook de gebouwbeheerder hier alert op is.’

Martin Verkamman, Fall Protection Expert bij 3M

Ontwerp het zo dat je niet kunt vallen

‘Wist je dat 29% van alle arbeidsongevallen wordt veroorzaakt door vallen van hoogte? Het is daarom geen gek idee om aanwezigheid op hoogtes zoveel mogelijk te vermijden. Door de airconditioning op de begane grond te plaatsen bijvoorbeeld. Natuurlijk weet ik dat architecten daar over het algemeen niet blij van worden, maar het kan wel bijdragen aan de veiligheid van medewerkers en onderaannemers. Het is aan 3M -samen met partners als Elro Dakveiligheid– om ervoor te zorgen dat personen bij het betreden van een dak überhaupt niet kunnen vallen. Daarbij kijken we verder dan de dakrand. Lichtstraten, atriums en binnentuinen leveren immers net zoveel (door)valgevaar op. Een hekwerk om de rand van een pand is hiermee niet per definitie de sluitende oplossing.’ Voor Elro reden genoeg om systemen zo te ontwerpen dat vallen niet mogelijk is. Een van de oplossingen is het creëren van gebiedsbegrenzing. Dat doet Elro onder meer met hekwerken, maar ook met de 3M persoonlijke beschermingsmiddelen met een beperkte bewegingsvrijheid. Zodat onderhoudsmensen wél bij de installatie, maar niet in een gevaarlijke situatie kunnen komen.

De relatie tussen valbeveiliging en overgewicht

‘Sinds de laatste recessie wordt er behoorlijk gemarchandeerd op het gebied van dakveiligheid. Voldoen aan de minimumeisen is de norm en er wordt maar nauwelijks nagedacht over de competentie die een persoon nodig heeft om valbeveiliging daadwerkelijk veilig te gebruiken. Ik licht een aspect graag uit: het gewicht van de dakbetredende persoon. Meer dan 50% van de valbeveiligingssystemen in Nederland is geschikt voor personen tot honderd kilo. Inclusief kleding, schoenen, bril, helm en alles wat aan de persoon vastzit of wat de persoon meedraagt.’ Reden genoeg voor 3M, dat een dependance op de campus van TU Delft heeft, om samen met haar host onderzoek te doen naar het gewicht van Nederlanders. ‘De gemiddelde Nederlandse man weegt 85 kilo en draagt gemiddeld vijf tot zes kilo aan kleding, schoenen en accessoires. Een valharnas en -lijn komen samen op vier kilo en gereedschap weegt met gemak een kilo of vijf. Dan zit je dus al aan de honderd kilo. En als je weet dat een derde van de beroepsbevolking overgewicht heeft, begrijp je meteen dat die maximale honderd kilo in veel gevallen niet voldoet. Voor 3M de reden om onze valbeveiligingssystemen in te regelen voor mensen tot 140 kilo. Dat geldt uiteraard ook voor de reddingsmiddelen die we leveren. Nog een aspect waar de gebouwbeheerder het verschil kan maken. Door te kiezen voor valbeveiliging die op veiligheidsgebied voldoet in plaats van voor valbeveiliging die de minimumeisen in de wet raakt.

 

Meer informatie:

www.elroduurzamedaken.nl

www.3mnederland.nl

www.wildschutdak.nl

www.tngroep.nl

www.zndnedicom.nl

 

 

Schiedamse Glasfabriek aan de vooravond van een grootse transformatie

De komende jaren staan Blauwhoed en Dudok Real Estate voor een prachtige uitdaging: de transformatie van het voormalige fabrieksterrein van De Glasfabriek in Schiedam tot een hoogstedelijk woon- en werkgebied. Marcel Groeneweg, senior projectontwikkelaar bij Blauwhoed, en Stefan van Gurp, senior projectontwikkelaar bij Dudok Real Estate, gaan hier de komende jaren vorm aan geven.

“Deze transformatie vormt een fantastische opgave, want hier hebben we te maken met alle facetten en aspecten van binnenstedelijke gebiedsontwikkeling.” Bij het verlaten van De Glasfabriek in Schiedam benadrukt een enthousiaste Stefan van Gurp het nog maar eens. Waar een al even enthousiaste Marcel Groeneweg aan toevoegt: “Samen gaan we hier een prachtige plek van maken!”

Een bijzondere plek

De Glasfabriek, ooit voluit De Vereenigde Glasfabrieken, neemt in tal van opzichten een bijzondere plek in binnen Schiedam. Niet alleen door de omvang van het fabrieksterrein dat maar liefst 5,5 hectare omvat, maar ook door de rijke geschiedenis die nauw verbonden is met die van Schiedam. Zoals schrijver Bordewijk het zo mooi verwoordde: “De felle vuren der glasblazerijen omkringden haar in een krans helse rozen”. Ook de centrale ligging, tussen de Schiedamse binnenstad en het Rotterdamse Merwe-Vierhavensgebied, vormt een bijzonder aspect van het geheel. Het is een ronduit indrukwekkende plek, waar meer dan een eeuw lang miljarden glasconserven werden geproduceerd voor de voedings- en drankenindustrie. Met enorme hallen, genoemd naar de belangrijkste klanten, zoals de Heineken hal en de Calvé hal. En een achttal, enorme betonnen silo’s waar de belangrijkste bestanddelen van het glas in lagen opgeslagen.

null

5,5 ha uitdaging

Mogelijkheden te over om hier wat moois (van) te maken en het verhaal van deze prachtplek verder uit te dragen. Stefan van Gurp: “Dat verhaal begint voor ons wanneer de eigenaar van De Glasfabriek, Owens Illinois Netherlands, in 2017 besluit om met de productie van glasconserven in Schiedam te stoppen en het terrein met de opstallen te verkopen. Wij hebben toen, net als Blauwhoed, onafhankelijk van elkaar, een bieding gedaan, maar grepen er net naast. Toen de kopende partij na een jaar afhaakte, besloten wij samen de uitdaging op te pakken en deze bijzondere plek nieuw leven in te blazen. Onze visies en track-record sloten goed op elkaar aan. Sinds november 2020 zijn we samen met investeerders eigenaar van het terrein.” Behalve Blauwhoed en Dudok Real Estate speelt ook de gemeente Schiedam een belangrijke rol in de herontwikkeling van De Glasfabriek, aldus Marcel Groeneweg: “Ten tijde van de aankoop hebben we natuurlijk plannen gemaakt over de mogelijkheden van het terrein, maar er waren ook vanuit de gemeente ideeën waar het heen zou moeten. Het wordt voor Schiedam een compleet nieuwe woonwijk. Het gebied vormt straks een belangrijke schakel tussen de binnenstad en het Merwe-Vierhavensgebied. Tevens is het een belangrijk onderdeel van de gebiedsontwikkeling van Nieuw-Mathenesse, een nieuw woon- en leefgebied op de plek van oude, binnenstedelijke bedrijventerreinen.”

Distillers District

De Glasfabriek sluit aan op het Schiedamse Distillers District, ook onderdeel van de gebiedsontwikkeling Nieuw-Mathenesse, en gaat straks zowel een woon- als een werkfunctie krijgen, aldus Marcel Groeneweg. “Voor de werkfuncties kan gedacht worden aan dienstverlenende organisaties, kantoorruimte, kleinschalige maakindustrie en, bijna vanzelfsprekend, horeca.” Stefan van Gurp vult hierbij aan: “Het is de ambitie van de gemeente en ook van onszelf om het Distillers District veel sterker te laten worden en te ‘branden’ als een unique selling point voor Schiedam. In Schiedam wordt al eeuwenlang jenever en gin, gedistilleerd. Je hebt hier recht tegenover Loopuyt, Koninklijke De Kuyper, distilleerderij Onder De Boompjes en verderop zit Nolet. Dat zijn al vier distilleerders van de zogenaamde Big Six. Het glasfabriekterrein zit daar vlak tegenaan en vormt de verbindende factor op de looproute tussen de binnenstad en de distilleerderijen. Met deze bijzondere ligging en de rijke historie zijn alle ingrediënten aanwezig om er een prachtige woon-, werk- en verblijfsplek van te maken en daarmee een waardevol stukje Schiedam.”

Rijke geschiedenis, duidelijke identiteit

Marcel Groeneweg: “Om de planvorming te starten, zijn we begonnen met de ‘why’ vraag. Wat is de identiteit van de plek? Waarvoor gaat de Schiedammer hier wonen? Waar komt zijn trots vandaan? Nadat we dit duidelijk voor ogen hadden, konden we beginnen met de verkenningen voor het stedenbouwkundig plan. Een hoge mate van welzijn is hierbij een essentieel uitgangspunt; voor iedereen die hier straks woont, werkt of verblijft. Het raamwerk van de gemeente, op basis waarvan het bestemmingsplan kan worden aangepast, ligt inmiddels ter goedkeuring bij de raad. Dat zal in september zijn beslag krijgen. Daarna kunnen we de plannen gaan verfijnen. We gaan de komende tijd ook invulling geven aan de plek met tijdelijke functies en lokale initiatieven. Placemaking die tevens gaat bijdragen aan de identiteitsvorming van de locatie. Behalve dat we de kantoorgebouwen weer in gebruik gaan nemen en verhuren, is het Stedelijk Museum Schiedam bijvoorbeeld geïnteresseerd in een streetart expositie voor jongeren. En zo zijn er wel meer ideeën die de komende tijd vorm moeten krijgen.”

Vitale steden

De transformatie van verouderde, binnenstedelijke bedrijfsterreinen, zogenoemde Brownfields, draagt bij aan het economisch en sociaal vitaal blijven van een stad. Hiermee wordt ingespeeld in op de huidige, grote, woonbehoefte. Tegelijkertijd is het één van de grootste uitdagingen in het stedelijk gebied: het transformeren van een industriële plek met milieucategorie 5 naar een aangename plek om te wonen, werken en recreëren. Blauwhoed en Dudok Real Estate werken daarvoor samen met stedenbouwkundig bureau Barcode Architects en voor de landschappelijke inrichting met DELVA Landscape Architecture | Urbanism; ook betrokken bij de totstandkoming van het ruimtelijk raamwerk Merwe-Vierhavens.  Stefan van Gurp: “De technische uitdaging is om deze plek waar meer dan 100 jaar zware industrie zat, te transformeren tot een mooi leefgebied. Hier gaan we de komende jaren met veel enthousiasme, en zeker ook in participatie met belanghebbenden, aan werken. Wie wil er nou niet wonen en werken op een plek met zo’n rijke geschiedenis en zo’n duidelijke eigen identiteit?”

COD mede-ontwikkelaar van transformatieproject Amsterdam-Noord

COD is partner van Amvest geworden in de gebiedsontwikkeling Hamerkop in Amsterdam Noord. Hamerkop is een bedrijventerrein van circa 39.000 m², gelegen in Amsterdam Noord. Amvest is sinds 2015 eigenaar van het terrein. Met de komst van COD als mede-ontwikkelaar, worden de krachten gebundeld om het gebied te transformeren naar een woon-werkgebied. Hamerkop wordt getransformeerd tot een hoogstedelijk woon- werk gebied. De gebiedsontwikkeling sluit aan bij de ontwikkeling die reeds aan de gehele Noordelijke ij-oever wordt doorgemaakt. Met de toevoeging van een substantieel aantal woningen zal het gebied een belangrijke bijdrage leveren aan het woonprogramma van Amsterdam.

Op het terrein van Hamerkop zijn momenteel circa twaalf bedrijven gevestigd, waaronder de populaire horecalocaties Hangar en de Goudfazant. Met zijn ligging aan het IJ en diversiteit aan verschillende bedrijven is het gebied afgelopen decennia reeds uitgegroeid tot een populair gebied. Er is een unieke sfeer ontstaan die ook voor de toekomst waardevol wordt geacht. Bij de transformatie zal dan ook worden ingezet om voort te bouwen op de identiteit van het gebied en deze waar mogelijk te versterken. De bijzondere ligging van Hamerkop maakt dat hier een op termijn een uniek stuk stad gecreëerd zal worden.

Hamerkop is onderdeel van het Hamerkwartier, gelegen in Amsterdam Noord. Hamerkwartier is één van de door de gemeente aangewezen transformatiegebieden. Het gebied betreft een (voormalig) bedrijventerrein, nu voornamelijk in gebruik bij kleinschalige bedrijven. Het Hamerkwartier wordt getransformeerd tot circa 520.000m2 bvo wonen en 270.000m2 bvo aan bedrijven, horeca, kantoren, en maatschappelijke en culturele voorzieningen. Deelgebied Hamerkop zal met de realisatie van de commerciële- en woonfuncties een belangrijk aandeel in de transformatie van het gehele hamerkwartier hebben.

Parkeren van elektrische auto’s vraagt om strengere brandveiligheidseisen voor ondergrondse parkeergarages

Het gebruik van elektrische auto’s neemt in hoog tempo toe. Recente incidenten roepen steeds vaker de vraag op hoe brandveilig het parkeren en het elektrisch laden van deze auto’s in de ondergrondse parkeergarages zijn.

Deze ontwikkeling is zo recent, dat alle risico’s op brandgevaar nog lang niet in kaart zijn gebracht. Wel staat vast dat risico’s anders en groter zijn dan bij auto’s op fossiele brandstof en dat de huidige wet- en regelgeving hierop nog niet zijn ingericht. Parkeren en opladen van elektrische auto’s in ondergrondse parkeergarages vragen in feite om strengere brandveiligheidseisen. Toepassingen om aan die toekomstige eisen te voldoen, kunnen nu al in het ontwerp meegenomen worden. Een voorbeeld hiervan is de bouw van een ondergrondse privé-parkeergarage voor 64 parkeerplaatsen, die wordt gebouwd onder een nieuw appartementencomplex met 46 woningen in het centrum van Berlicum. Tegen het plafond van de parkeergarage zijn de sterk brandwerende Multiporplaten van Xella toegepast. Deze voldoen aan de huidige en ook aan eventuele toekomstige extra brandveiligheidseisen voor parkeergarages.

Montage Multipor

 

Speciale aandacht voor brandveiligheid

Kim van Cauter, architect van architectenbureau Echo Architectuur uit Eindhoven, is bij de nieuwbouw van het appartementencomplex in Berlicum betrokken. Hij legt uit dat bestaande parkeergarages niet ontworpen zijn voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van brandveiligheid. “Groeiend gebruik van elektrische auto’s vraagt dan ook speciale aandacht voor de brandveiligheid van parkeergarages”, zegt hij. “Technologische ontwikkelingen lopen immers voor op wet- en regelgeving. Duidelijk is wel dat er andere risico’s in een parkeergarage ontstaan als elektrische auto’s in brand vliegen, zoals enorme rookontwikkeling door brandend kunststof en smeulende accu’s. Als architect kun je bij de bouw van een parkeergarage al rekening houden met mogelijke brandveiligheidsmaatregelingen”, licht Cauter toe. Volgens het huidige Bouwbesluit moet een parkeergarage compartimenten bevatten.

Brandcompartiment

Op dit moment wordt in Nederland volop discussie gevoerd over hoe de brandveiligheidseisen van parkeergarages aangescherpt moeten worden. Duidelijk is dat een compartiment van 1000m2 60 minuten brandwerend moet zijn. Bij grotere garages is de regelgeving voor brandveilige parkeergarages minder duidelijk. “Bij deze parkeergarage in Berlicum, die alleen door de bewoners wordt gebruikt, hebben we ingezet op brandbeheersing van een eventuele branduitbraak. Vandaar dat deze garage is opgedeeld in twee compartimenten van 1000m2”. Op aanraden van Van Cauter is gekozen voor Multipor. Deze cellenbetonplaten zijn met name geschikt in constructies met bijzondere brandveiligheidseisen.

Parkeergarage met een brandwerend Multipor plafond

 

Brandveiligheidseisen

Tim Kornuijt is als construction supervisor vanuit Xella nauw betrokken bij de nieuwbouw van dit appartementencomplex in hartje Berlicum. De parkeergarage voor de bewoners maakt onderdeel uit van dit project. In de plint wordt een commerciële ruimte voor winkels met een oppervlakte van 2500m2 gerealiseerd. Kornuijt legt uit dat Multipor een ultralicht, natuurlijk isolatiemateriaal is, gemaakt van kalk, cement, zand en water. “Deze cellenbetonplaten zijn zeer akoestisch en thermisch isolerend en hebben een zuivere minerale samenstelling. Ze bevatten geen vezels of kunststoffen”, legt hij uit. “Multipor en de speciale Multiporlijmmortel waarmee we de platen bevestigen, zijn onbrandbaar.” De platen behoren tot brandklasse A1 en de lijmmortel tot klasse A2 conform EN 13501-1. De materialen verspreiden bij brand geen schadelijke gassen, ook niet bij extreem hoge temperaturen. “Multipor draagt ook sterk bij aan de brandwerendheid van de winkels en de appartementen boven de parkeergarage. Het materiaal is dus heel geschikt voor parkeergarages”, legt hij uit.

Complex ‘Aan het plein’ in Berlicum, foto Aannemersbedrijf Hoes

 

Meerdere Xella-toepassingen

Tino van der Velden is projectleider bij Van der Heijden bouw en ontwikkeling uit Schaijk, de hoofdaannemer van het nieuwe appartementencomplex in Berlicum. Van der Velden vertelt dat voor dit omvangrijke nieuwbouwproject naast Multipor ook andere bouwmaterialen van Xella zijn toegepast. “Voor de binnenspouwbladen en dragende woningscheidende wanden in de appartementen hebben we de Silka elementen geplaatst. De niet-dragende binnenwanden van de appartementen zijn uitgevoerd in Ytong binnenwanden.” Van der Velden geeft aan dat met deze toepassingen snel gebouwd kan worden. “Bij Van der Heijden geloven we dat bouwen ook anders kan. We zijn daarom altijd op zoek naar manieren om slimmer, sneller en beter te bouwen.” Het bouwtempo van dit appartementencomplex ligt op vijftien dagen per bouwlaag van vijftien appartementen, die zijn verdeeld over drie batches van vijf appartementen. Het woningbouwproject ligt pal aan het belangrijkste plein in Berlicum. Van der Velden: “We hebben met een forse logistieke uitdaging te maken om het vele bouwverkeer van en naar het plein in goede banen te leiden. De opslagruimte voor bouwmaterialen is beperkt. Dat betekent dus dat we met onze bouwpartners strikte afspraken hebben gemaakt om de bouwmaterialen just in time op de bouw aangeleverd te krijgen. Dat is perfect gelukt”, geeft hij aan. “De bouwmaterialen van Xella worden bij elke levering, precies op tijd op de juiste plek aangeleverd, zodat we er direct mee aan de slag kunnen. Dat werkt voor een aannemer bijzonder prettig”, aldus Van der Velden.

Het appartementencomplex met parkeergarage en winkelruimtes worden in januari 2021 opgeleverd.

 

Bron: Xella

 

 

DGBC introduceert framework voor bestaande circulaire gebouwen

Het framework voor circulaire bestaande gebouwen is beschikbaar. Met dit framework wil DGBC de circulaire bouwoplossingen verbreden en toepasbaar maken naar de gehele bouwsector. Een belangrijke vraag daarbij is: Hoe krijgt circulariteit een plek in de gehele bouwopgave, zo ook voor bestaand vastgoed. Het framework biedt een definitie voor een bestaand circulair gebouw en indicatoren om dit meetbaar te maken. Samen met Circle Economy, Metabolic, SGS Search, Alba Concepts en Valstar Simonis werkte DGBC aan dit framework voor circulaire bestaande gebouwen. Het framework is mede mogelijk gemaakt door de Laudes foundation, Bouwinvest en Schiphol.

DGBC heeft in 2018 het ‘Framework for Circular Buildings’ opgesteld gericht op nieuwbouw. Maar hoe zit het met bestaande gebouwen? 80% van het huidige vastgoed bestaat nog in 2050 en er is nog geen leidraad voor circulariteit in het bestaande vastgoed. Hoe kan die 80% op circulaire wijze beheerd en gebruikt worden? En waar moeten we voor bestaande bouw nu de prioriteiten aan geven? Dit rapport geeft invulling aan de behoefte van veel partijen om ook voor bestaande bouw circulariteit (en een circulair gebouw) te concretiseren. Het framework bestaat uit indicatoren voor bestaande gebouwen: voor de prestaties van het gebouw, het beheer en het gebruik.

Circulaire strategieën

Gebouwen vergen continu hulpbronnen, zoals energie, materialen en water, maar hebben ook een functie om bij te dragen aan het welzijn van mensen en aan de biosfeer. Deze indicatoren zijn opgenomen in dit framework. Het is dan ook niet alleen toepasbaar voor BREEAM, maar ook voor gebouweigenaren, beleidsmakers en adviseurs, die dit kunnen gebruiken om een scherp beeld van circulariteit voor de bestaande bouw te krijgen. Het framework is ook bedoeld als inspiratiedocument voor de ontwikkeling van circulaire strategieën in andere projecten en programma’s om de bestaande gebouwde omgeving sneller circulair te maken.

“Dit framework geeft een duidelijke kapstok in een woud aan allerlei ontwikkelingen”, stelt Inge van Baardwijk, Schiphol. “Energie wordt al langer geborgd in meerjarige onderhoudsplannen. Circulariteit moet een veel grotere plek krijgen in MJOP. Het framework helpt daarbij.” Pam van de Klundert, Bouwinvest, vult aan: “Met het framework kunnen we voortborduren op bestaande processen. Dit framework biedt handvatten om aan de slag te gaan met circulariteit binnen alle facetten van het gebouwmanagement.”

Indicatoren voor BREEAM(-NL) In-Use

Dit framework is een vervolg op het eerste framework, met een verdieping naar de bestaande bouw. Daarom wordt de koppeling nu gemaakt met BREEAM(-NL) In-Use, in plaats van BREEAM(-NL) Nieuwbouw. Het doel is de ontwikkelde strategieën en indicatoren op te nemen in BREEAM In-Use International, om deze vervolgens ook in de Nederlandse versies van deze richtlijnen over te nemen. Dit framework is ook een handreiking aan de BRE om de Nederlandse expertise over de circulaire (bouw)economie te vertalen naar de internationale BREEAM In-Use standaard. BREEAM In-Use bestaat uit drie delen: voor Deel 1 (Asset) en Deel 2 (Beheer) wordt de internationale 2020 versie gevolgd, voor Deel 3 (Gebruik) wordt een specifieke Nederlandse herziening uitgebracht.

Download de publicatie >>

 

Verduurzaming winkels komt niet op gang

Bron: Colliers

De verduurzaming van winkels in Nederland komt nauwelijks van de grond. Energielabels ontbreken massaal en het energieverbruik is nog veel te hoog om de doelen uit het klimaatakkoord te behalen. Ook is er geen dwingende wetgeving vanuit de overheid, waardoor vastgoedeigenaren en winkeliers niet in actie komen. Hiervoor spraken wij met winkeleigenaren die 15% van het winkeloppervlak vertegenwoordigen.

Bijna 70% van alle winkelruimte heeft geen energielabel, terwijl de eigenaar zijn winkel niet zonder dit certificaat mag verhuren of verkopen,

zegt duurzaamheidsexpert Jeroen Bloemers van Colliers. “Het gaat om meer dan 27 miljoen vierkante meter aan ongelabelde winkelruimte verspreid over het land, ongeveer 4.000 voetbalvelden.”

Zaanstad en Utrecht koploper

Zaanstad en Utrecht zijn de groenste winkelsteden van de 25 grootste gemeenten. Daar heeft een derde van het winkeloppervlak een A-label. Het Zaanse stadshart is de afgelopen twintig jaar vernieuwd, waardoor de gemeente een grote slag heeft geslagen. De Domstad profiteert van de herontwikkeling van Hoog Catharijne en het moderne Leidsche Rijn Centrum.

In Haarlem en Maastricht heeft slecht 15% het hoogste label. “Deze steden hebben veel monumenten, waarvoor geen labelverplichting geldt”, vertelt Bloemers. “Omdat eigenaren vaak weinig aan de buitenkant mogen veranderen en een spouwmuur ontbreekt, is het verduurzamen een grote uitdaging. Een labelplicht zou helpen om beter inzicht te krijgen in de omvang van deze opgave.”

Geen urgentie bij eigenaren

Energielabels vertellen slechts een deel van het verhaal. Het verminderen van het energieverbruik is cruciaal om de klimaatdoelen te halen. Voor 2050 moet de consumptie met de helft omlaag. Vooralsnog staat verduurzaming niet hoog op de agenda bij winkeleigenaren. Twee derde heeft nog geen ambitie geformuleerd en ook de intrinsieke motivatie om te vergroenen is er niet altijd.

Institutionele beleggers zien zichzelf als voortrekker. Zij hebben de winkels vaak langer in bezit en kijken verder vooruit. Daarnaast eisen hun aandeelhouders meer duurzaamheid. Voor private-equitypartijen is dat anders. Zij kijken naar de potentiële kopers van hun vastgoed. Verhogen zij hun eisen, dan volgt private equity pas. Particuliere eigenaren zijn het minst bezig met verduurzaming en hebben nauwelijks vergaande plannen. Investeringen beperken zich nu vaak tot ingrepen met een korte terugverdientijd zoals ledverlichting.

Weinig druk om te verduurzamen

Voor kantoren is vanaf 2023 minimaal energielabel C verplicht anders dreigt sluiting. Voor winkels is zo’n maatregel er niet. ”Om de verduurzaming op gang te brengen is het essentieel dat de overheid snel richtlijnen voor de sector opstelt. Dat schept duidelijkheid, waardoor marktpartijen koers kunnen bepalen”, zegt Bloemers.

Ook winkeliers ervaren geen druk om hun winkel te vergroenen. De consument heeft vooral oog voor de duurzaamheid van het product en niet in welke winkel ze het aanschaffen. Het verminderen van het energieverbruik voor verwarming en koeling door bijvoorbeeld openstaande deuren heeft daarom geen prioriteit.

Samenwerking nodig

Voor een succesvolle verduurzaming is samenwerking tussen eigenaar en huurder noodzakelijk. Eigenaren van winkelcentra hebben controle over de algemene ruimten. Achter de winkelpui is het de taak van de winkelier. Ruim een derde van de eigenaren is inmiddels in gesprek met de huurder over een gezamenlijke aanpak. Alleen is verduurzaming voor de kleinere, lokale winkelier nog niet top-of-mind. Zij zijn vooral gefocust op het draaiend houden van hun bedrijf. “Uitstel is geen optie meer. Het klimaatrapport van de Verenigde Naties, laat zien dat er snel dwingende maatregelen nodig zijn. Er is letterlijk werk aan de winkel.”

Woningcorporaties verenigen zich in Noord-Hollandse Duurzaamheidscoalitie

Hoe kunnen we de markt uitdagen om het verduurzamen van onze woningvoorraad sneller, innovatiever en tegen lagere kosten uit te laten voeren. Geheel in lijn met de ambities van de Renovatieversneller waarmee samengewerkt wordt. Die vraag leidde tot de samenwerking van acht woningcorporaties in de Noord-Hollandse Duurzaamheidscoalitie (NHDC). Juni 2021 bereikte NHDC de eerste mijlpalen. De handtekeningen zijn onder raamovereenkomsten gezet voor het isoleren van zo’n 3.000 sociale huurwoningen in de komende vijf jaar door BAM Wonen en Coen Hagedoorn Bouw.

Eengezinswoningen

Elan Wonen, Kennemer Wonen, Pré Wonen en Stek Wonen tekenden een raamovereenkomst met Coen Hagedoorn Bouw voor de verduurzaming van circa 2.000 eengezinswoningen, gebouwd tussen 1945 en 1982. Centraal staat het terugdringen van het energieverbruik door isolatie in de schil van de woningen. Hiermee worden deze aardgasvrij ready en daarmee geschikt voor alle denkbare toekomstige duurzame vervangers van aardgas. Dit wordt gerealiseerd middels isolatie van daken, gevels, kozijnen, vloeren, kier- en naaddichting en verbetering van het ventilatiesysteem. Coen Hagedoorn Bouw voert allerlei procesoptimalisaties met kostenvoordelen door, die mogelijk zijn omdat de corporaties vanuit dezelfde vraagspecificatie opereren.

Portieketagewoningen

Daarnaast zetten Elan Wonen, Kennemer Wonen en Pré Wonen hun handtekening onder een raamovereenkomst met BAM Wonen. Dit document heeft betrekking op het verduurzamen van circa 1.000 portieketagewoningen die eveneens tussen 1945 en 1982 gebouwd zijn. BAM Wonen maakt met betere isolatie en ventilatie de woningen aardgasvrij ready voor alle denkbare toekomstige duurzame vervangers van aardgas. BAM Wonen digitaliseert het bouwproces van verduurzamen onder meer met inzet van drones. Hiermee draagt BAM Wonen bij aan het versnellen van nieuwe producten en bouwtechnieken die bijdragen aan een van de NHDC- doelstellingen om meer kwaliteit voor minder kosten te bieden.

Rijksmonument De Doelen krijgt groen en multifunctioneel dak

De gemeente Rotterdam gaat het platte dak van congres- en concertgebouw de Doelen voorzien van groen en waterberging. Het ontwerp voor het dak is gemaakt door Kraaijvanger Architects en het beplantingsplan door Deltavormgroep in samenwerking met Cruydt Hoeck.

De Doelen heeft een plat dak van 2.581m². Rotterdam wil dit gaan bedekken met een grote variatie aan groen. Tevens komt er de mogelijkheid voor waterberging bij hevige regenbuien, met een capaciteit van 300m³. Volgens Rotterdam is dit “de eerste keer dat een groot gemeentelijk gebouw en rijksmonument in het hart van de stad een multifunctioneel dak van deze omvang krijgt.”

Planten, dieren en water

De gemeente wil een grote variatie aan planten op het dak. De begroeiing moet gaan bestaan uit verschillende soorten inheemse kruiden, bollen, siergrassen, planten en heesters. Verder komen er vijf insectenhotels. Zo moet het dak onder andere bijen, vlinders en vogels aantrekken en bijdragen aan een grotere biodiversiteit in de stad.

Onder de beplanting wordt een systeem met kratten aangebracht, dat regenwater opslaat. Het water wordt afgevoerd tijdens regenbuien en bij droogte gebruikt om de beplanting op het dak van water te voorzien.

Niet publiek
Aan de zijde van het Schouwburgplein komt een houten vlonder van 480 m², die bestemd is voor educatieve en sociale activiteiten. Het dak is niet toegankelijk voor publiek, meldt de gemeente, maar ze onderzoekt de mogelijkheden voor rondleidingen.

Het ontwerp voor het groendak is gemaakt door Kraaijvanger Architects. Deltavormgroep is in samenwerking met Cruydt Hoeck verantwoordelijk voor het beplantingsplan. Deze zomer maakt de gemeente bekend wie de uitvoering doet. Naar verwachting is het dak eind 2021 gereed.

Dakprojecten

De gemeente Rotterdam, eigenaar van het rijksmonument, maakt de aanleg van het groendak mogelijk in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en 7Square Endeavour.

Het duurzame dak op de Doelen is één van de projecten van Life@Urban Roofs, onderdeel van het Europese LIFE-programma voor milieu- en klimaatactie. Eerder, zo meldt de gemeente, is een natuurdak op woongebouw de Peperklip op Rotterdam Zuid aangelegd en zijn drie groenblauwe daken op de Robert Fruinstraat in Rotterdam West tot stand gekomen.

De toekomst voor de bouw ligt in biobased materiaal: hout snijdt hout

​De bouwsector is verantwoordelijk voor bijna veertig procent van de wereldwijde CO2-uitstoot, zo werd in 2020 al duidelijk uit onderzoek van de VN. En wil Nederland de klimaatdoelstellingen halen in 2050, dan zal deze sector grote stappen moeten nemen. Analisten van de Rabobank zien de oplossing in het gebruik van natuurlijke materialen.

Beton, de Romeinen bouwden er al aquaducten van, maar het materiaal raakte daarna lange tijd in de vergetelheid. Tot het bijna tweehonderd jaar geleden werd héruitgevonden door de Engelse Joseph Aspdin en in 1842 letterlijk in bedrijf werd genomen. De bouwwereld maakte daarop een enorme vlucht, want beton is snel, stevig en flexibel te vormen. Maar er zit ook een nadeel aan: het is vervuilend, vooral omdat het zo veel gebruikt wordt en bij de productie van beton komt nou eenmaal veel CO2 vrij. Maar de hoge CO2-uitstoot in de bouwwereld ligt niet alleen aan deze grijze massa. Ook veelgebruikte bouwmaterialen als kunststof kozijnen en PVC-leidingen zijn verantwoordelijk voor de CO2-uitstoot die verminderd moet worden.

Kortom: wil Nederland in 2050 volledig circulair zijn, dan zit de uitdaging op het gebruik van bouwmateriaal, zo stellen Sandra Koenraadt en Hans-Hugo Smit van Rabobank in hun laatste BouwUpdate. Volgens deze analisten kunnen we in drie stappen dichterbij het halen van de doelen in het klimaatakkoord komen: het verminderen van het gebruik van nieuwe en eindige grondstoffen, het vaker gebruiken van bestaande materialen en het overstappen op hernieuwbare bouwgrondstoffen ofwel op biobased materialen.

 

Hou(d)t de toekomst

Uit de bouwanalyse van Rabobank komt vooral naar voren dat biobased materiaal de toekomst is, niet alleen hout, maar ook onder andere hennep, wol en schelpen. Natuurlijke materialen groeien na het oogsten weer aan, en bijvoorbeeld stro en vlas doen dat ook nog eens relatief snel. Daarnaast is het weer recyclebaar of terug te brengen tot compost, en nemen deze materialen ook nog CO2 op uit de atmosfeer. Als voorbeeld halen de analisten aan dat één kuub hout ongeveer een ton CO2 compenseert, wat gelijkstaat aan 5.000 autokilometers. Ook is biobased bouwen op kortere termijn aantrekkelijk, zo zeggen de analisten, omdat het een oplossing kan zijn voor gebieden waar nu vanwege stikstofregelgeving niet (traditioneel) gebouwd mag worden. “Bovendien”, stellen zij, “biedt het bouwen met natuurlijke materialen kansen op nieuwe businessmodellen.”

Back to the woods

Voor de bouw met hout ligt in Nederland nog wel een uitdaging: het duurt natuurlijk even voordat bomen zo gegroeid zijn dat het hout gebruikt kan worden in de bouw. Nu moet Nederland dan ook nog hout importeren uit vooral de Scandinavische landen en de Baltische staten. Rabobank, van oorsprong natuurlijk een boeren leenbank, ziet daar juist ook kansen liggen. Want voormalige agrarische grond kan worden ingezet voor het planten van bomen, zo stellen zij. “Voor nieuwe woonwijken of windmolenparken zien we dat mensen dat niet in hun eigen achtertuin willen, maar we verwachten dat mensen minder problemen hebben met een bos.”

En omdat grond in Nederland te intensief gebruikt is, zullen veehouders hun toekomstscenariop sowieso moeten overwegen. Volgens de Rabobank ligt daar een kans: “Zou (productie)bosbouw voor een deel van deze boeren geen kansrijk alternatief zijn of een aanvullende bron van inkomsten?” De analisten zien een goede optie voor meer eigen bosbouw in mogelijk vrijkomend agrarisch gebied, wat ook wel agroforestry wordt genoemd.

 

Nieuwe technieken in hout

Hout mag dan een nog veel ouder bouwmateriaal zijn dan beton, maar voor de hedendaagse bouwwereld is het weer relatief nieuw. Architecten en bouwbedrijven moeten gewend raken aan het werken met hout, vooral voor grote kantoorpanden en industriële bewerkingen. Toch is de houtbouw al in opkomst. Zo kondigde DPG Media onlangs aan hun nieuw te bouwen kantoor van hout te maken. Dat past weer goed in het plan van regio Amsterdam: in 2025 moet minimaal 20 procent van de nieuwbouw uit hout zijn opgetrokken.

En dat is mogelijk. Er zijn nu al verschillende bouwtechnieken in opmars zoals houtskeletbouw (HSB) waarbij de vloer meestal van beton is maar geraamte van het pand van hout wordt gemaakt. Dan heb je Glulam waarbij vuren ribben horizontaal worden verlijmd (vaak te zien bij grote en gebogen overkappingen, zoals tennishallen). Laminated Veneer Lumber (LVL) waar dunne fineerlagen op elkaar geperst worden en Cross Laminated Timber (CLT) waar hout, zoals de naam zegt, kruislaags bestaat uit platen. Eenmaal bewerkt zoals bij CLT is hout zo sterk als beton.

Volgens de inschatting van de Rabobank zijn vorig jaar al 2.500 huizen gebouwd van hout. Andere praktijkvoorbeelden zijn Hotel Djakarta in Amsterdam en de 73 hoge woontoren HAUT van Lingotto – die nog wel een betonnen kern heeft maar verder geheel uit hout is vervaardigd. De conclusie van de analisten: “Voor een CO2-neutrale bouw is het nu zaak te versnellen en de productie fors te verhogen.” Volgens hen zijn er veel start-ups en scale-ups die zich op toeleggen. “Als Rabobank willen wij dat ook actief stimuleren. We delen graag onze kennis en netwerk, en zorgen voor financieringsmogelijkheden.”

Meer weten over hoe bomen op akkers zorgen voor duurzame akkerbouw, lees dan dit artikel.